Kertész Imre: Onbepaald door het lot (Sorstalanság in Dutch)
Sorstalanság (Hungarian)
A pályaudvarhoz érve, mivel kezdtem igen érezni a lábom, no meg mivel a sok többi közt a régről ismert számmal is épp elibém kanyarodott egy, villamosra szálltam. Szikár öregasszony húzódott a nyitott peronon egy kissé félrébb, fura, ódivatú csipkegallérban. Hamarosan egy ember jött, sapkában, egyenruhában, és a jegyemet kérte. Mondtam néki: nincsen. Indítványozta: váltsak. Mondtam: idegenből jövök, nincsen pénzem. Akkor megnézte a kabátomat, engem, s azután meg az öregasszonyt is, majd értésemre adta, hogy az utazásnak törvényei vannak, s ezeket a törvényeket nem ő, hanem az ő fölötte állók hozták. – Ha nem vált jegyet, le kell szállnia – volt a véleménye. Mondtam neki: de hisz fáj a lábam, s erre, észrevettem, az öregasszony ki, a tájék felé fordult, de oly sértődötten valahogyan, mintha csak néki hánytam volna a szemére netán, nem tudnám, mért. De a kocsi nyitott ajtaján, már messziről nagy lármával, termetes, fekete, csapzott ember csörtetett ki. Nyitott inget, világos vászonöltönyt, a válláról szíjon függő fekete dobozt, kezében meg irattáskát hordott. Miféle dolog ez, kiáltotta, és: – Adjon egy jegyet! – intézkedett, pénzdarabot nyújtva, lökve inkább a kalauznak oda. Próbáltam köszönetet mondani, de félbeszakított, indulatosan tekintve körbe: – Inkább némelyeknek szégyenkezniük kellene – szólt, de a kalauz már a kocsiban járt, az öregasszony meg továbbra is kinézett. Akkor, megenyhült arccal, énfelém fordult. Kérdezte: – Németországból jössz, fiam? – Igen. – Koncentrációs táborból-e? – Természetesen. – Melyikből? – A buchenwaldiból. – Igen, hallotta már hírét, tudja, az is „a náci pokolnak volt egyik bugyra” – így mondta. – Honnan hurcoltak ki? – Budapestről. – Meddig voltál oda? – Egy évig, egészében. – Sok mindent láthattál, fiacskám, sok borzalmat – mondta arra, s nem feleltem semmit. No de – így folytatta – fő, hogy vége, elmúlt, s földerülő arccal a házakra mutatva, melyek közt épp csörömpöltünk, érdeklődött: mit érzek vajon most, újra itthon, s a város láttán, melyet elhagytam? Mondtam neki: – Gyűlöletet. – Elhallgatott, de hamarosan azt az észrevételt tette, hogy meg kell, sajnos, értenie az érzelmeimet. Egyébként őszerinte „adott helyzetben” a gyűlöletnek is megvan a maga helye, szerepe, „sőt haszna”, és föltételezi, tette hozzá, egyetértünk és jól tudja, hogy kit gyűlölök. Mondtam neki: – Mindenkit. – Megint elhallgatott, ezúttal már hosszabb időre, utána meg újra kezdte: – Sok borzalmon kellett-e keresztülmenned? –, s azt feleltem, attól függ, mit tart borzalomnak. Bizonyára – mondta erre, némiképpen feszélyezettnek látszó arccal – sokat kellett nélkülöznöm, éheznem, és valószínűleg vertek is talán, s mondtam neki: természetesen. – Miért mondod, édes fiam – kiáltott arra fel, de már-már úgy néztem, a türelmét vesztve –, mindenre azt, hogy „természetesen”, és mindig olyasmire, ami pedig egyáltalán nem az?! – Mondtam: koncentrációs táborban ez természetes. – Igen, igen – így ő –, ott igen, de… – s itt elakadt, habozott kissé – de… nohát, de maga a koncentrációs tábor nem természetes! – bukkant végre a megfelelő szóra mintegy, s nem is feleltem néki semmit, mivel kezdtem lassan belátni: egy s más dologról sosem vitázhatunk, úgy látszik, idegenekkel, tudatlanokkal, bizonyos értelemben véve gyerekekkel, hogy így mondjam. Különben is – kaptam magam a változatlanul ott levő, s éppen csak egy kissé kopárabbá és gondozatlanabbá vált térről rajta –, ideje leszállanom, és ezt be is jelentettem neki. De velem tartott, s egy árnyas, támlája vesztett padot mutatva arrébb, indítványozta: telepednénk oda egy percre. |
Onbepaald door het lot (Dutch)Bij het station aangekomen, stapte ik op de tram omdat ik last kreeg van mijn
voeten, bovendien was het een lijn die ik van vroeger kende. Op het open balkon
ging een magere, oude vrouw met een eigenaardige, ouderwetse kanten kraag haastig
opzij toen ze me zag. Weldra verscheen er een man met een pet en een uniform,
die mijn kaartje wilde zien. Ik zei dat ik uit het buitenland kwam en geen geld
bij me had. Hij monsterde mijn jas, keek eerst mij aan en vervolgens de oude
vrouw en zei toen dat er bepaalde voorschriften golden voor het passagiersvervoer,
die overigens niet door hem, maar ‘door de lui boven hem’ waren gemaakt. Als
ik geen geld had voor een kaartje, moest ik de tram verlaten. Ik antwoordde
dat ik pijn in mijn voeten had, waarop de oude vrouw haar blik afwendde en naar
de straat keek, alsof ze beledigd was door mijn woorden, ja alsof ik haar een
verwijt had gemaakt. Op dat ogenblik ging de tussendeur van het rijtuig open
en kwam er een zwaar gebouwde, donkerharige man met een verwaarloosd uiterlijk
het balkon op gestommeld die iets onverstaanbaars riep. Hij droeg een overhemd
zonder stropdas en een lichtgekleurd linnen pak en had een aktentas in zijn
hand. Aan een riem om zijn schouder hing iets wat eruitzag als een zwarte doos.
‘Wat heeft dat te betekenen?’ riep hij, en tegen de conducteur snauwde hij:
‘Geef die jongen oumiddellijk een kaartje!’ terwijl hij hem met een nogal bruusk
gebaar een geldstuk overhandigde, of liever gezegd: toestopte. Ik wilde hem
bedanken, maar hij onderbrak mij nog steeds boos om zich heen kijkend, en zei:
‘Bepaalde mensen hier zouden zich moeten schamen.’ De conducteur was echter
al doorgelopen en de oude vrouw staarde nog steeds aandachtig naar de straat.
Toen hij dit zag, wendde hij zich met een veel vriendelijker gezicht naar mij
en vroeg: ‘Kom je net terug uit Duitsland, mijn jongen?’ ‘Ja’, zei ik. ‘Uit
een concentratiekamp?’ ‘Natuurlijk.’ ‘Welk kamp?’ ‘Buchenwald.’ Hij zei dat
hij daarvan had gehoord en noemde het een der meest beruchte krochten van de
nazi-hel. ‘Waar ben je opgepakt?’ ‘In Boedapest.’ ‘Hoe lang heb je in het kamp
gezeten?’ ‘Alles bij elkaar één jaar.’ ‘Die ogen van je zullen heel wat gezien
hebben, jongen, veel gruwelijks’, zei hij toen hij dit hoorde, waarop ik niets
terugzei. ‘Gelukkig is het nu allemaal voorbij’, vervolgde hij, en met een opgewekt
gezicht naar de huizen wijzend waar de tram tussendoor ratelde, vroeg hij wat
fik voelde nu ik weer thuis was en de stad terugzag. Ik zei: ‘Haat.’ Even zweeg
hij, maar toen zei hij dat hij vreesde mijn gevoelens te moeten begrijpen. Overigens
waren haatgevoelens volgens hem ‘in bepaalde situaties’ zeer functioneel en
zelfs ‘nuttig’, wat ik waarschijnlijk uit eigen ervaring wel wist. Hij zei ook
nog: ‘Ik weet heel goed wie je haat.’ Ik antwoordde: ‘Iedereen.’ Na dit antwoord
zweeg hij opnieuw en nu duurde het veel langer voordat hij weer begon te spreken.
Hij vroeg: ‘Heb je veel gruwelijke dingen meegemaakt?’ Ik zei hem dat ik die
vraag moeilijk kon beantwoorden omdat ik niet wist wat hij met ‘gruwelijk’ bedoelde.
‘Je hebt ongetwijfeld veel ontberingen moeten doorstaan en honger geleden en
misschien hebben ze je in het kamp ook geslagen’, zei hij met een enigszins
gespannen gelaatsuitdrukking.’ Ik antwoordde: ’Natuurlijk.’ Daarop riep hij
luid: ‘Waarom antwoord je op alles wat ik zeg „natuurlijk”, beste jongen, terwijl
we het over zaken hebben die helemaal niet natuurlijk zijn?’ Ik had de indruk
dat hij op het punt stond zijn geduld te verliezen en zei: ‘In een concentratiekamp
zijn ze wel natuurlijk.’ ‘Nu ja, goed, daar misschien wel, maar…’ – op dat punt
aangeland bleef hij even steken en aarzelde hij – ‘maar een concentratiekamp
is op zichzelf niet natuurlijk.’ Dit laatste zei hij op opgeluchte toon, alsof
hij eindelijk het juiste woord had gevonden. Ik gaf geen antwoord omdat ik langzamerhand
begon in te zien dat je over sommige zaken eenvoudig niet kon discussiëren met
buitenstaanders, die wat de kampen betreft totaal onwetend waren en als kleine
kinderen konden worden beschouwd. Toen ik uit het raam keek, zag ik dat we het
plein naderden waar ik moest uitstappen. Het lag er nog net zo bij als vroeger,
maar de huizen waren wat grauwer en vervelozer dan bij mijn vertrek uit Boedapest
en zagen er enigszins verwaarloosd uit. Ik zei tegen de onbekende dat ik mijn
bestemming had bereikt en dus afscheid van hem moest nemen, maar hij wilde me
kennelijk nog wat langer gezelschap houden en stapte eveneens uit. Buiten wees
hij op een overschaduwd bankje waar de rugleuning van was verdwenen en hij stelde
voor om daar even te gaan zitten.
|
